Gedurende
de dag klaarde het even op, de zon brak zelfs door. We spelen een
potje voetbal op het straatveldje. In gewone kleren, opletten dus wie er bij
wie hoort. Waarschijnlijk
lette ik niet goed op bij het verdelen van de spelers, want maar van een paar is het me duidelijk.
Die jongen daar voorin: hij valt telkens aan die kant op, houdt de druk erop. Hij hoort
vast
bij mij. Zelf sta ik, zoals vaak, achterin. Denk ik. Spelen we met een
vliegende
keep? Anders
was er wel
eentje vast? Ben ik dat? En we spelen met een 'kwetsbare doelgroep'? Een aantal
spelers loopt rond als zombies, onbezield.
Maar wij moeten winnen.
Fuck, er wordt bij ons gescoord. Ik deed er alles aan om de bal uit het
doel te houden, maar werd eruit gespeeld door die twee iets grijzende mannen. Kansloos. Jammer.
Nu
beginnen we weer vanaf onze achterlijn. Het eerste stuk van onze
eigen helft leg ik zelf handig af, dribbel er zo langs. Maar daar heb je weer één van
die twee gozers, hij komt op me af. Dat belooft gedoe. Gelukkig
zie ik dat die enthousiaste jongen voorin is afgezakt naar de
middenlijn. Ik krul hem een mooie bal. Hij neemt aan, maakt een
meter of twee, komt daar ook iemand tegen. Niemand die
van ons neemt initiatief? Zelf een sprintje trekken dan maar. Hij ziet me, geeft de bal diep.
Ik
haal het, neem aan. We zijn zo goed als op de helft van hun
helft. Opeens ben ik omgeven door meerdere zombies. Maar die jongen spurt naar een lege plek. Een lobje rechts voor hun
doel, iets voor de achterlijn heeft-ie controle. Ondertussen sta ik op linksvoor, sta belachelijk vrij. Hij ziet me, en komt die voorzet: 'k schuif ‘em d'r in. Keep is kansloos.
Een trots overwinningsdrafje terug naar onze eigen helft.
Niet teveel vieren nu.
En
we staan weer klaar. En ze komen zo gemakkelijk op. Die jongen
voorin is al weer te veraf van het spel. Één
van de twee fanatiekelingen stormt op me af met de bal. Ik ben niet bang voor het asfalt: een tackle op de bal. Maar hij speelt nét
breed genoeg en speelt me voorbij. Machteloos op de grond zie ik de bal tegen de spijlen van ons doel knallen.
Waarom ben ik de enige die iets
leek te ondernemen?
Het
is voorbij. 2-1. Iedereen schakelt van een geveinsde actieve naar een meer ontspannen houding. Vanaf de achterlijn sjok ik bezweet, op adem komend, naar voren om de tegenstanders te feliciteren.
Ook die twee gasten zijn een beetje bezweet. Op het moment dat ik
mijn hand uitsteek naar één van hen ontmoeten onze ogen. Ik maak al aanstalten richting die, maar hij heeft me nog vast. Hij knijpt iets steviger, kijkt me aan en zegt:
“Ik
wil hier even de tijd voor nemen; met zoveel dingen moeten we al zo
verschrikkelijk haasten....
Ik
hou van je.”
Een schok trekt door me heen. Wat? Lief?Hij kijkt me aan, lacht vriendelijk, ik stamel verbijsterd “Goed gespeeld.” Nu komt die andere ook
op me af, hand uitgestoken.
“Ik
hou van je.” zegt hij.
We
kijken elkaar iets langer aan. Verlegen lach ik naar hem terug.
Jeees, wat een blauwe ogen.